THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Introductie

Diabetes mellitus (‘suikerziekte') is een aandoening waarbij de bloedspiegels van glucose (een enkelvoudige suiker) abnormaal hoog zijn doordat het lichaam niet voldoende insuline aanmaakt.

De symptomen, diagnose en behandeling van diabetes mellitus zijn bij kinderen en volwassen gelijk. (see Introductie)

De behandeling van kinderen kan echter ingewikkelder zijn en moet worden aangepast aan het lichamelijke en emotionele ontwikkelingsniveau van het kind.

Insuline is een hormoon dat door de alvleesklier (pancreas) wordt afgegeven en dat de hoeveelheid glucose in het bloed regelt. Een kind met diabetes mellitus heeft hoge bloedglucosespiegels doordat de alvleesklier te weinig of geen insuline aanmaakt (type-1-diabetes, voorheen ‘juveniele diabetes' genoemd) of omdat het lichaam ongevoelig is voor de hoeveelheid insuline die wordt geproduceerd (type-2-diabetes, voorheen ‘ouderdomsdiabetes' genoemd). In beide gevallen is er onvoldoende insuline beschikbaar om aan de behoeften van het lichaam te voldoen.

Type-1-diabetes kan in de gehele kindertijd en zelfs op de zuigelingenleeftijd optreden. De aandoening begint meestal op een leeftijd tussen 6 en 13 jaar. Wanneer type-2-diabetes op jonge leeftijd optreedt, gebeurt dit voornamelijk bij adolescenten.

Tot de jaren negentig had meer dan 95% van de kinderen die diabetes hadden type-1-diabetes, meestal als gevolg van een aanval van het afweersysteem op de cellen in de alvleesklier die insuline aanmaken (bètacellen in de eilandjes van Langerhans). De laatste tijd neemt het aantal kinderen, vooral adolescenten, met type-2-diabetes gestaag toe. Momenteel heeft in Amerika 10 tot 40% van de kinderen bij wie voor de eerste keer diabetes wordt vastgesteld, type 2. In Nederland is dit nu nog zeldzaam, maar het neemt wel steeds meer toe. De toename is het sterkst onder niet-westerse bevolkingsgroepen. Overgewicht en een familiaire voorgeschiedenis van type-2-diabetes zijn belangrijke factoren voor het ontstaan van type-2-diabetes (maar niet voor type 1).

illustrative-material.sidebar 2

Welke kinderen hebben risico van type-2-diabetes?

Bij kinderen en adolescenten die aan de volgende criteria voldoen, moet vanaf de leeftijd van ongeveer 10 jaar om de 2 jaar na vasten de bloedglucosespiegel worden gemeten:

  • overgewicht

Tevens twee van de volgende factoren:

  • een naast familielid met type-2-diabetes
  • Afrikaanse, Aziatische, Latijns-Amerikaanse of Indiaanse afkomst
  • hoge bloeddruk, hoge lipidenspiegel (vetten) in het bloed of polycysteusovariumsyndroom

Symptomen

Hoge bloedglucosespiegels zijn de oorzaak van diverse direct optredende symptomen en complicaties op lange termijn.

Bij type-1-diabetes ontstaan de symptomen snel, gewoonlijk binnen 2 tot 3 weken, en zijn ze vaak opvallend. Het kind plast overmatig veel als gevolg van de hoge bloedglucosespiegels. Door dit vochtverlies heeft het kind meer dorst en drinkt het meer. Sommige kinderen raken uitgedroogd, met zwakte, lusteloosheid en een snelle pols als gevolg. Het kind gaat mogelijk wazig zien.

Diabetische ketoacidose doet zich aan het begin van de ziekte voor bij ongeveer eenderde van de kinderen met type-1-diabetes. Zonder insuline kunnen cellen de glucose in het bloed niet gebruiken. Cellen schakelen daarom over op andere mechanismen om aan energie te komen en gaan vet afbreken. Bijproducten van deze vetafbraak zijn chemische verbindingen, ‘ketonen' genaamd. Door ketonen wordt het bloed te zuur (ketoacidose), wat misselijkheid, braken, vermoeidheid en buikpijn veroorzaakt. De adem van het kind ruikt door de ketonen naar aceton. De ademhaling wordt diep en snel omdat het lichaam de zuurgraad van het bloed probeert te corrigeren. (see Introductie)

De toename van ketonen in het bloed veroorzaakt diabetische ketoacidose, die soms binnen enkele uren tot coma en de dood leidt. Bij kinderen met ketoacidose is het evenwicht van andere chemische stoffen in het bloed vaak ook verstoord, zoals een abnormale kaliumspiegel en hoge lipidenspiegels (lipiden zijn vetten).

De symptomen bij kinderen met type-2-diabetes zijn lichter dan die bij type 1 en ontstaan geleidelijker, gedurende weken of zelfs enkele maanden. Ouders merken mogelijk op dat het kind meer dorst heeft en vaker plast of alleen vage symptomen als vermoeidheid heeft. Bij kinderen met type-2-diabetes ontstaat gewoonlijk geen ketoacidose of ernstige uitdroging.

Diagnose

Diabetes mellitus wordt vermoed wanneer een kind kenmerkende symptomen heeft of wanneer bij een urineonderzoek glucose wordt aangetroffen. De diagnose wordt bevestigd door de bloedglucosespiegel te bepalen. Het bloedonderzoek wordt bij voorkeur 's morgens uitgevoerd wanneer het kind nuchter is. Een kind wordt als diabetespatiënt beschouwd als de nuchtere bloedglucosespiegel 7 mmol/l of hoger is. De arts laat een bloedonderzoek verrichten waarmee antilichamen tegen de bètacellen van de eilandjes van Langerhans worden opgespoord. Dit onderzoek wordt verricht om type-1-diabetes te onderscheiden van type-2-diabetes.

Omdat met directe maatregelen (aanpassingen van de voeding, meer lichaamsbeweging en afvallen) type-2-diabetes kan worden voorkomen of uitgesteld, moeten kinderen die tot de risicogroep behoren door middel van bloedonderzoek worden gescreend. Type-1-diabetes is op geen enkele manier te voorkomen.

Behandeling

Het belangrijkste doel van de behandeling is de bloedglucosespiegels zo veel mogelijk binnen de normale waarden te houden. Om de bloedglucosespiegel te reguleren, gebruiken kinderen met diabetes geneesmiddelen (zoals insuline of oraal in te nemen geneesmiddelen) en passen hun leefwijze aan. Dit laatste houdt in dat ze hun eetgewoonten veranderen, regelmatig aan lichaamsbeweging doen en, in het geval van overgewicht, afvallen.

Wanneer bij een kind type-1-diabetes wordt vastgesteld, wordt het gewoonlijk in een ziekenhuis opgenomen. Kinderen met type-1-diabetes hebben altijd insuline nodig omdat geen ander middel effectief is. Deze kinderen krijgen gewoonlijk twee of meer insuline-injecties per dag, hoewel sommige kinderen continu onderhuids insuline toegediend krijgen via een slangetje verbonden met een insulinepomp. Behandeling met insuline begint gewoonlijk in een ziekenhuis zodat de bloedglucosespiegels vaak kunnen worden gecontroleerd en de insulinedosering hierop kan worden aangepast. In zeldzame gevallen wordt de behandeling thuis gestart.

Behandeling in een ziekenhuis is voor kinderen met type-2-diabetes meestal niet nodig. Ze moeten wel worden behandeld met orale bloedglucoseverlagende middelen. De geneesmiddelen voor volwassenen met type-2-diabetes (see Diabetes mellitusTables) kunnen veilig door kinderen worden gebruikt, maar sommige bijwerkingen, vooral diarree, kunnen bij kinderen meer problemen veroorzaken. Sommige kinderen met type-2-diabetes hebben insuline nodig. Het is mogelijk dat enkele kinderen de geneesmiddelen helemaal niet meer hoeven te gebruiken als ze afvallen, beter gaan eten en regelmatig aan lichaamsbeweging doen.

Vooral controle op wat het kind eet en voorlichting zijn belangrijk voor alle kinderen met diabetes. Omdat de koolhydraten in voedsel door het lichaam in glucose worden omgezet, veroorzaakt wisselende inname van koolhydraten schommelingen van de bloedglucosespiegels. Daarom moeten kinderen met diabetes op vaste tijden eten en moet worden voorkomen dat de bloedglucosespiegel te laag wordt doordat de maaltijden te ver uiteen liggen. Het kind moet worden afgeraden grote hoeveelheden suiker (zoals in limonade, snoep, koekjes en gebak) te nuttigen omdat de bloedglucosespiegel hierdoor te veel kan stijgen. Ouders en oudere kinderen wordt geleerd hoe ze de hoeveelheid koolhydraten in voedsel kunnen bepalen en de voeding van het kind zo kunnen aanpassen dat dagelijks steeds de juiste hoeveelheid koolhydraten worden gegeten. Op elke leeftijd is het voor een kind moeilijk zich strikt te houden aan een schema van uitgebalanceerde maaltijden die met vaste tussenpozen moeten worden genuttigd en de verleiding te weerstaan van zoete tussendoortjes. Bij zuigelingen en peuters moeten ouders vooral goed oppassen gezien het gevaar van regelmatig voorkomende, gevaarlijk lage bloedglucosespiegels (hypoglykemie).

Een kind met diabetes en zijn gezinsleden kunnen emotionele problemen ondervinden. Het besef dat ze een levenslange aandoening hebben, maakt dat sommige kinderen verdrietig en kwaad worden en soms zelfs ontkennen dat ze een ziekte hebben. Een arts moet deze emoties aan de orde stellen om zich ervan te verzekeren dat het kind meewerkt en zich aan het voorgeschreven maaltijdenschema houdt, aan lichaamsbeweging doet, bloedglucosecontrole ondergaat en geneesmiddelen gebruikt. Als het niet lukt deze problemen op te lossen, kunnen er problemen ontstaan om de bloedglucosespiegel onder controle te houden.

Tijdens speciale vakantiekampen voor kinderen met diabetes kunnen de kinderen ervaringen uitwisselen en leren hoe ze zelf meer aan hun lichamelijke toestand kunnen doen.

Als de diabetes zich moeilijk laat behandelen, kan een arts de hulp inroepen van andere deskundigen, zoals een kinderendocrinoloog, diëtist, diabetesverpleegkundige, maatschappelijk werker of psycholoog. Ook kan eventueel contact worden gezocht met een lotgenotengroep. De arts kan ouders informatie meegeven voor de school, zodat de leerkrachten weten wat van hen wordt verwacht.

Zelfcontrole: kinderen en ouders wordt uitgelegd hoe ze de bloedglucosespiegel minstens viermaal per dag moeten controleren aan de hand van een bloedmonster dat wordt verkregen door met een klein instrumentje (lancet) in een vingertop of de onderarm te prikken. Zodra ze meer ervaren zijn, kunnen ouders en veel kinderen de insulinedosis aanpassen om de bloedglucosespiegel zo goed mogelijk te reguleren. Over het algemeen krijgen kinderen vanaf hun tiende jaar belangstelling om zelf hun bloedglucosespiegel te controleren en insuline te injecteren. Ouders moeten deze zelfstandigheid aanmoedigen, maar erop toezien dat het kind het verstandig aanpakt. Meestal legt de arts of de diabetesverpleegkundige kinderen uit hoe ze hun insulinedosering moeten aanpassen in overeenstemming met het patroon van de bloedglucosewaarden die ze thuis meten.

Kinderen met diabetes worden gewoonlijk viermaal per jaar door hun arts onderzocht. De arts controleert hun groei, ontwikkeling en de toestand van de spuitplaatsen, bekijkt de bloedglucosewaarden die thuis worden bijgehouden, adviseert over voeding en meet de hoeveelheid geglyceerde hemoglobine (hemoglobine (Hb) A1c), een stof in het bloed die de bloedglucosespiegels over een langere periode weergeeft. De arts controleert eenmaal per jaar op langetermijncomplicaties (see Complicaties) door de concentratie eiwit in de urine te bepalen, de schildklierfunctie te beoordelen en door een neurologisch onderzoek en een oogonderzoek uit te voeren.

Sommige kinderen slagen er zonder veel moeite of onnodige ruzies uitstekend in om hun diabetes onder controle te houden. Bij andere kinderen is diabetes een aanhoudende bron van spanningen binnen het gezin en wordt de aandoening minder goed gecontroleerd. Vooral adolescenten hebben er vaak moeite mee zich aan het juiste behandelregime te houden gezien de tijd die ze ervoor moeten vrijmaken en de vrijheidsbeperking die diabetes met zich meebrengt. Een jongere is erbij gebaat als de arts rekening houdt met de gewenste tijdsbesteding en activiteiten van de jongere en zich flexibel opstelt bij het oplossen van problemen: samen met de jongere naar een oplossing zoeken in plaats van deze op te leggen.

Complicaties bij behandeling en ziekte: de bloedglucosespiegel kan met geen enkele behandeling volledig op een normale waarde worden gehouden. Het doel van de behandeling is te voorkomen dat de bloedglucosespiegel te hoog of te laag wordt. De complicaties van diabetes mellitus zijn onder meer hartziekte, nierfalen, blindheid, periferevaatziekten en andere ernstige aandoeningen. Het duurt weliswaar jaren voordat deze complicaties ontstaan, maar hoe beter diabetes mellitus onder controle wordt gehouden, des te kleiner is het risico dat zich ooit complicaties zullen voordoen.

Een lage bloedglucosespiegel, hypoglykemie (see Introductie), doet zich voor wanneer te veel insuline of bloedglucoseverlagende middelen zijn ingenomen of wanneer het kind niet regelmatig eet. Hypoglykemie veroorzaakt zwakte, verwardheid en zelfs coma. Bij volwassenen, adolescenten en oudere kinderen veroorzaken periodes van hypoglykemie zelden problemen op lange termijn. Regelmatig terugkerende periodes van hypoglykemie bij kinderen jonger dan 5 jaar kunnen de verstandelijke ontwikkeling echter blijvend verstoren. Jonge kinderen merken de waarschuwingssignalen voor hypoglykemie mogelijk ook niet op. Om het risico van hypoglykemie te minimaliseren, houden arts en ouders jonge kinderen met diabetes bijzonder goed in de gaten en hanteren ze ook enigszins hogere streefwaarden voor hun bloedglucosespiegel.

Bij kinderen en adolescenten met type-1-diabetes die insuline-injecties hebben overgeslagen, kan binnen enkele dagen diabetische ketoacidose ontstaan. Langdurig te weinig of verkeerd gebruik van insuline kan leiden tot een syndroom bestaande uit stagnerende groei, vertraagde puberteit en vergrote lever (syndroom van Mauriac).

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer