THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit

Kinderen met aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) kunnen zich niet of slechts korte tijd concentreren en zijn zeer impulsief voor hun leeftijd. De stoornis kan gepaard gaan met hyperactiviteit.

Hoewel de meningen over de incidentie (het aantal nieuwe gevallen) sterk uiteenlopen, komt ADHD naar schatting voor bij 5 tot 10% van de kinderen op de schoolleeftijd en bij jongens tienmaal vaker dan bij meisjes. Veel kenmerken van ADHD worden vaak al opgemerkt voordat het kind 4 jaar is en in ieder geval voordat het 7 jaar is, maar ADHD hoeft geen sterke invloed te hebben op de schoolprestaties en sociaal functioneren totdat het kind naar de middelbare school gaat. ADHD werd voorheen alleen ‘aandachtstekortstoornis' genoemd, maar omdat bij kinderen met de stoornis vaak hyperactiviteit voorkomt, wat in feite een lichamelijke uitbreiding van aandachtstekort is, is de huidige terminologie aangepast.

ADHD kan erfelijk zijn. Recent onderzoek wijst uit dat de stoornis wordt veroorzaakt door afwijkingen in de neurotransmitters (stoffen die zenuwprikkels binnen de hersenen doorgeven). De symptomen van ADHD variëren van licht tot ernstig en kunnen in een bepaalde omgeving, zoals thuis of op de school van het kind, verergeren, worden versterkt of een probleem worden. Schoolverplichtingen en een strak georganiseerd leven maken ADHD tot een probleem, terwijl bij vroegere generaties de symptomen het functioneren van de kinderen niet opvallend hinderden doordat dergelijke beperkingen vaak veel minder voorkwamen. Hoewel enkele symptomen van ADHD ook bij kinderen zonder deze stoornis voorkomen, komen de symptomen vaker en in ernstiger mate voor bij kinderen met ADHD.

Symptomen

ADHD betreft voornamelijk het niet kunnen vasthouden van de aandacht en concentratie en het onvermogen om taken te volbrengen. Het kind kan ook overactief en impulsief zijn. Veel peuters zijn angstig, hebben problemen met communicatie en interactie en gedragen zich slecht. Ze lijken onoplettend te zijn. Ze kunnen zitten friemelen en ongedurig zijn. Ze zijn soms ongeduldig en antwoorden voor hun beurt. Als ze wat ouder zijn, bewegen ze vaak voortdurend hun benen en handen en friemelen met hun handen. Ook flappen ze er maar wat uit, zijn vergeetachtig en slordig. Over het algemeen zijn ze niet agressief.

Ongeveer 20% van de kinderen met ADHD heeft leerproblemen en ongeveer 80% presteert slecht op school. Hun werk kan rommelig zijn met slordigheidsfouten en ze denken onvoldoende na. Kinderen met de stoornis gedragen zich vaak alsof ze er met hun gedachten niet bij zijn en niet luisteren. Ze volgen aanwijzingen vaak niet op of maken hun huiswerk, klusjes of andere taken niet af. Ze beginnen regelmatig aan een volgende taak voordat ze de vorige hebben afgemaakt.

Ongeveer 40% van de kinderen met de stoornis kan problemen hebben met zijn gevoel van eigenwaarde, last hebben van neerslachtigheid en angstgevoelens of zich in de puberteit afzetten tegen gezag. Ongeveer 60% van de jonge kinderen heeft problemen als driftbuien en op latere leeftijd hebben ze vaak een lage frustratiedrempel.

Diagnose

De diagnose is gebaseerd op het aantal, de frequentie en de ernst van de symptomen. De symptomen moeten zich voordoen in ten minste twee verschillende omgevingen (gewoonlijk thuis en op school). Als de symptomen zich alleen thuis of alleen op school voordoen en nergens anders, is er geen sprake van ADHD. Vaak is de diagnose moeilijk te stellen omdat deze wordt beïnvloed door het oordeel van de observant. Er bestaat geen laboratoriumonderzoek voor ADHD. Vragenlijsten over diverse aspecten van het gedrag kunnen de arts ondersteunen bij het stellen van de diagnose. Omdat leerstoornissen veel voorkomen, worden veel kinderen psychologisch getest om te bepalen of ze ADHD hebben en om specifieke leerstoornissen op te sporen.

Behandeling en prognose

Om de gevolgen van ADHD zo veel mogelijk te beperken, zijn structuur, regelmaat, een schoolinterventieplan en aangepaste opvoedingsmethoden vaak nodig. Sommige kinderen die niet agressief zijn en in een evenwichtige en ondersteunende thuissituatie leven, zijn mogelijk al geholpen met een behandeling met alleen geneesmiddelen. Gedragstherapie door een kinderpsycholoog wordt soms gecombineerd met een behandeling met geneesmiddelen. Behandeling met psychostimulantia (stimulerende middelen) is het meest effectief.

Methylfenidaat wordt het vaakst als stimulerend middel voorgeschreven. Het is even effectief als andere psychostimulantia (zoals dexamfetamine) en waarschijnlijk veiliger. Naast de gebruikelijke vorm zijn een aantal vormen van methylfenidaat met verlengde afgifte (langer werkend) verkrijgbaar die maar één keer per dag hoeven te worden ingenomen. De bijwerkingen van methylfenidaat zijn onder meer slapeloosheid, verminderde eetlust, neerslachtigheid, hoofdpijn, buikpijn en hoge bloeddruk. Als het gebruik van het middel wordt gestaakt, verdwijnen al deze bijwerkingen. De meeste kinderen hebben geen last van bijwerkingen, behalve misschien verminderde eetlust. Als methylfenidaat echter gedurende langere tijd in hoge doses wordt ingenomen, kan het middel incidenteel de groei vertragen en daarom moet de gewichtstoename van het kind worden gecontroleerd.

Aandachtsproblemen en gedragssymptomen kunnen met een aantal andere geneesmiddelen worden behandeld, onder meer clonidine, op amfetamine gebaseerde geneesmiddelen, antidepressiva en angstremmende middelen. Soms wordt een combinatie van geneesmiddelen toegepast.

Over het algemeen houden aandachtsproblemen bij kinderen met ADHD aan, al worden de kinderen met hyperactiviteit vaak iets minder impulsief en hyperactief naarmate ze ouder worden. De meeste adolescenten en volwassenen leren omgaan met hun aandachtsproblemen. Andere problemen die tijdens de adolescentie en volwassenheid ontstaan of blijven bestaan zijn onder andere slechte schoolprestaties, een gering gevoel van eigenwaarde, angstgevoelens, neerslachtigheid en moeite met het aanleren van sociaal aanvaardbaar gedrag. Belangrijk is dat de meeste kinderen met ADHD productieve volwassenen worden. Mensen met ADHD lijken zich beter te kunnen aanpassen in werksituaties dan op school. Als de stoornis op de kinderleeftijd echter niet wordt behandeld, is er mogelijk een verhoogd risico van alcohol- en drugsmisbruik en zelfdoding.

illustrative-material.sidebar 2

Wat zijn aan stress gerelateerde gedragingen?

Elk kind gaat anders om met stress. Duimzuigen, nagelbijten en, soms, ritmisch met het hoofd tegen een voorwerp bonken (head banging), zijn gedragingen die kinderen helpen beter met stress om te gaan.

Duimzuigen (of zuigen op een fopspeen) hoort bij de vroege kinderleeftijd en de meeste kinderen doen dit niet meer wanneer ze 1 of 2 jaar oud zijn, al gaan sommigen ermee door tot in hun schoolperiode. Af en toe duimzuigen is normaal wanneer het kind gespannen is, maar als het uit gewoonte duimzuigt wanneer het ouder is dan 5 jaar, kan het gehemelte erdoor vervormen, kunnen de tanden scheef gaan staan en kan het kind door andere kinderen worden geplaagd. Soms is aanhoudend duimzuigen een teken van een onderliggend emotioneel probleem.

Alle kinderen houden uiteindelijk op met duimzuigen. Ouders moeten alleen ingrijpen op advies van de tandarts of als ze vinden dat het duimzuigen voor hun kind sociaal ongewenst is. Ouders moeten hun kind voorzichtig proberen duidelijk te maken waarom het beter met duimzuigen kan stoppen. Zodra het kind aangeeft dat het zou willen ophouden, is het goed om het kind in het begin daaraan telkens op vriendelijke toon te herinneren. Hierna kan het kind direct op de duim een symbolische beloning worden gegeven, bijvoorbeeld een gekleurde pleister, nagellak of een ster die met een markeerstift op de duim wordt getekend. Indien nodig kunnen extra maatregelen worden genomen, zoals afdekken van de duim, de elleboog spalken gedurende de nacht zodat het kind de arm niet kan buigen of de duimnagel ‘lakken' met een bittersmakende stof. Er moet echter geen maatregel worden genomen die tegen de zin van het kind is.

Nagelbijten is een veelvoorkomend probleem bij jonge kinderen. De gewoonte verdwijnt meestal wanneer het kind ouder wordt, maar is vaak aan stress en angst gerelateerd. Kinderen die aangeven ermee te willen stoppen, kunnen in plaats van nagelbijten andere gewoonten worden aangeleerd (bijvoorbeeld een potlood tussen de vingers laten ronddraaien).

Head banging en ritmisch heen en weer schommelen komen vaak voor bij gezonde peuters. Hoewel verontrustend voor ouders schijnt de activiteit geen teken van angst te zijn bij kinderen en maken ze zelfs de indruk er troost uit te putten. De gewoonte om te schommelen, wiebelen of met het hoofd tegen voorwerpen te bonken verdwijnt meestal tussen 18 maanden en 2 jaar, maar repeterende handelingen komen soms nog bij oudere kinderen en adolescenten voor.

Bij kinderen die aan autisme lijden of andere ontwikkelingsproblemen hebben, kan ook head banging voorkomen. Deze aandoeningen hebben echter meer symptomen waardoor de diagnose duidelijk is. Hoewel kinderen zich vrijwel nooit door deze gedragingen verwonden, kan het risico hiervan (en het lawaai) worden verminderd door het bed van de muur af te plaatsen, eventuele wieltjes onder het bed te verwijderen of er tapijtbeschermers onder aan te brengen.

illustrative-material.sidebar 3

Aanwijzingen voor ADHD

Niet alle aanwijzingen hoeven aanwezig te zijn om de diagnose ‘ADHD' (attention deficit/hyperactivity disorder ofwel aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit) te kunnen stellen. Voor een diagnose moeten er echter altijd aanwijzingen zijn voor aandachtstekort. De aanwijzingen moeten aanwezig zijn in twee of meer omstandigheden (bijvoorbeeld zowel thuis als op school) en moeten het functioneren in de omgang met anderen en op school hinderen.

  • Aanwijzingen voor aandachtstekort:
    • kan vaak niet voldoende aandacht opbrengen voor details
    • heeft moeite de aandacht op werk en spel gericht te houden
    • lijkt niet te luisteren wanneer hij rechtstreeks wordt aangesproken
    • volgt aanwijzingen vaak niet op en slaagt er vaak niet in taken af te maken
    • heeft vaak moeite met de structurering van taken en activiteiten
    • vermijdt vaak, heeft een afkeer van of werkt niet graag aan taken die langdurig geestelijke inspanning vereisen
    • verliest vaak dingen
    • is snel afgeleid door externe factoren
    • is vaak vergeetachtig
  • Aanwijzingen voor hyperactiviteit:
    • zit vaak te friemelen met handen of voeten of kan niet stilzitten
    • staat in de klas en elders vaak van zijn stoel op
    • is vaak overdreven aan het rondrennen of klimmen
    • heeft moeite rustig te spelen of aan ontspannende activiteiten deel te nemen
    • is vaak op stap of gedraagt zich ‘als door een motor aangedreven'
    • praat vaak te veel
  • Aanwijzingen voor impulsiviteit:
    • roept vaak het antwoord voordat de vraag volledig is gesteld
    • kan vaak moeilijk zijn beurt afwachten
    • onderbreekt of stoort anderen vaak

illustrative-material.sidebar 4

ADHD: epidemie of te vaak gediagnosticeerd?

Bij steeds meer kinderen wordt de diagnose ‘ADHD' gesteld. In toenemende mate maken artsen en ouders zich zorgen dat bij veel kinderen de verkeerde diagnose wordt gesteld. Een hoog activiteitsniveau kan volkomen normaal zijn en is mogelijk slechts een versterking van een normaal temperament op de kinderleeftijd. Anderzijds kan het diverse oorzaken hebben, waaronder emotionele stoornissen of afwijkingen in de hersenfuncties, zoals bij ADHD.

Over het algemeen zijn tweejarigen actief en zitten ze zelden stil. Tot 4 jaar zijn kinderen zeer actief en luidruchtig. Voor deze leeftijdsgroepen is dergelijk gedrag normaal. Actief gedrag kan vaak tot conflicten leiden tussen ouders en kind en is voor ouders een bron van zorg. Het gedrag kan ook problematisch zijn voor anderen die toezicht houden op deze kinderen, waaronder leerkrachten.

De vaststelling dat het activiteitsniveau van een kind abnormaal hoog is, moet niet uitsluitend afhangen van de tolerantiegraad van degene die er last van heeft. Sommige kinderen zijn echter duidelijk actiever dan gemiddeld. Als het hoge activiteitsniveau gepaard gaat met een korte aandachtsboog en impulsiviteit, kan dit ‘hyperactiviteit' worden genoemd en als een aanwijzing voor ADHD worden beschouwd.

Kinderen met een normaal activiteitsniveau standjes en straf geven werkt gewoonlijk averechts en doet het activiteitsniveau van het kind nog verder stijgen. Voorkomen dat het kind lang stil moet zitten of op zoek gaan naar een leerkracht die ervaring heeft met dit type kinderen, kan helpen. Als gewone maatregelen geen effect hebben, kan het zinvol zijn een medisch of psychologisch onderzoek uit te voeren om een onderliggende stoornis als ADHD uit te sluiten.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Schoolverzuim

Next: Leerstoornissen

Figures
Tables
Disclaimer