THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Sociale en emotionele ontwikkeling

Emoties en gedrag worden bepaald door de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt en door zijn temperament. Ieder kind heeft een eigen temperament of gemoedsgesteldheid. Sommige kinderen kunnen vrolijk zijn, zich gemakkelijk aanpassen en probleemloos een vaste routine aanleren voor slapen, wakker worden, eten en andere dagelijkse activiteiten. Deze kinderen reageren meestal positief op nieuwe omstandigheden. Andere kinderen passen zich niet zo gemakkelijk aan en hebben soms weinig regelmaat in hun dagelijkse routine. Deze kinderen reageren vaak negatief op nieuwe situaties. Weer andere kinderen zitten daartussenin.

Tegen de leeftijd van ongeveer 9 maanden ontstaat bij zuigelingen vaak angst om van hun ouders te worden gescheiden. Het kind heeft mogelijk moeite met afscheidsituaties, zoals bij het slapengaan of op het kinderdagverblijf en laat dit soms merken met driftbuien. Dit gedrag kan maandenlang aanhouden. In deze periode hebben veel oudere kinderen een speciaal dekentje of knuffelbeest als ‘overgangsobject' dat de afwezige ouder symboliseert.

Een kind dat tussen 2 en 3 jaar oud is, begint uit te proberen hoever het kan gaan en gaat verboden dingen doen, gewoonweg om te kijken wat er gebeurt. Het vaak gehoorde ‘nee' van ouders geeft de strijd weer die het kind op deze leeftijd voor zijn zelfstandigheid voert. Hoewel driftbuien voor zowel ouder als kind vervelend zijn, horen ze er toch bij, omdat kinderen op deze manier hun frustratie kunnen uiten in een stadium waarin ze hun gevoelens niet goed onder woorden kunnen brengen. Ouders kunnen ertoe bijdragen het aantal driftbuien te beperken door ervoor te zorgen dat het kind niet al te moe of te gefrustreerd raakt en door vooraf het gedrag van het kind in te schatten en situaties te vermijden die waarschijnlijk driftbuien opwekken. In zeldzame gevallen moeten driftbuien door een arts worden beoordeeld. (see Driftbuien)

Sommige jonge kinderen kunnen zeer moeilijk hun impulsen beheersen en voor hen moeten de ouders de grenzen strikter aangeven om te zorgen voor enige veiligheid en regelmaat in hun wereld.

Op een leeftijd tussen 18 maanden en 2 jaar beginnen kinderen gewoonlijk hun genderidentiteit te bepalen. (see Genderidentiteit)

In de peutertijd krijgen kinderen reeds een idee van genderrollen, van zaken die typisch bij jongens en typisch bij meisjes horen. Op deze leeftijd is onderzoek van de geslachtsdelen te verwachten en dit geeft aan dat kinderen een verband leggen tussen gender en lichaamsbeeld.

Wanneer kinderen tussen 2 en 3 jaar oud zijn, komt er meer interactie in hun spel met andere kinderen. Al kunnen ze nog bezitterig over speelgoed zijn, ze kunnen hun speelgoed gaan delen met anderen en tijdens een spel op hun beurt wachten. Speelgoed als eigendom bestempelen door ‘dat is van mij' te zeggen, draagt bij aan het besef van een eigen identiteit. Hoewel kinderen van deze leeftijd naar zelfstandigheid streven, hebben ze toch nog de nabijheid van hun ouders nodig om zich veilig en gesteund te voelen. Ze kunnen bijvoorbeeld weglopen bij hun ouders als iets hun nieuwsgierigheid heeft gewekt, om zich even later achter hun ouders te verschuilen wanneer ze bang zijn.

Op een leeftijd tussen 3 en 5 jaar krijgen veel kinderen belangstelling voor fantasiespel en denkbeeldige vriendjes of vriendinnetjes. In een fantasiespel kan een kind zich veilig en op een aanvaardbare manier uitleven in verschillende rollen en in extreme gevoelens. Fantasiespel bevordert ook de sociale ontwikkeling: kinderen leren conflicten met ouders of andere kinderen op te lossen zodat ze hun frustraties kwijtraken en hun eigenwaarde behouden. Ook doemen in deze periode typische kinderangsten op, zoals de vrees dat zich ‘een monster' in de kast of onder het bed heeft verstopt. Deze angsten zijn normaal.

Op een leeftijd tussen 7 en 12 jaar krijgen kinderen met diverse kwesties te maken: hun zelfbeeld (waarvoor de basis wordt gelegd door hun functioneren in de klas), hun relaties met leeftijdgenoten (relaties die worden bepaald door hun vermogen om met anderen om te gaan en bij de groep te horen) en gezinsrelaties (relaties die deels worden bepaald door de goedkeuring die het kind krijgt van zijn ouders en broers en zussen). Al lijken veel kinderen hun leeftijdgenoten erg belangrijk te vinden, toch gaan ze in de eerste plaats naar hun ouders voor steun en hulp. Broers of zussen kunnen als rolmodel dienen en kunnen waardevolle steun en kritiek geven met betrekking tot wat kan en niet kan. Dit is een zeer actieve periode voor kinderen, waarin ze deelnemen aan een groot aantal activiteiten en ernaar verlangen nieuwe activiteiten te onderzoeken. Op deze leeftijd leren kinderen graag en reageren ze vaak goed op adviezen over veiligheid, gezonde leefwijzen en waarschuwingen tegen risicovol gedrag.

illustrative-material.sidebar 1

Zindelijkheidstraining

De meeste kinderen kunnen op een leeftijd tussen 2 en 3 jaar leren op een potje hun behoefte te doen. Ontlasting produceren is gewoonlijk het eerste dat kinderen op het potje doen. Rond een jaar of 5 kan een gemiddeld kind zelfstandig naar de wc, inclusief aan- en uitkleden, billen afvegen en handen wassen. Ongeveer 30% van de gezonde vierjarigen en 10% van de zesjarigen is echter 's nachts nog niet volledig droog.

Bij zindelijkheidstraining gaat het er vooral om of aan het kind is te merken dat het er klaar voor is. Aanwijzingen daarvoor zijn:

  • Is een aantal uren achtereen droog
  • Wil een nieuwe luier als hij nat is
  • Toont belangstelling voor zitten op een potje of een wc
  • Kan eenvoudige opdrachten uitvoeren

Meestal zijn kinderen op een leeftijd tussen 18 en 24 maanden klaar voor de training. Ondanks het feit dat kinderen er lichamelijk klaar voor zijn om op het potje te gaan, zijn sommige kinderen er emotioneel mogelijk nog niet aan toe. Om langdurig verzet tegen zindelijkheidstraining te voorkomen, kan het beste worden gewacht totdat het kind zelf aangeeft er klaar voor te zijn. Wanneer hij zover is, zal hij vragen om hulp als hij zijn behoefte wil doen of zal hij zelf naar zijn potje gaan.

De meest toegepaste methode om een kind zindelijk te maken, is de ‘timing'-methode. Als het kind er aan toe lijkt te zijn, wordt hij de eerste keer met de kleren aan op het potje gezet en moet hij er even op blijven zitten. Vervolgens wordt het kind aangemoedigd zijn broek uit te doen, 5 tot 10 minuten op het potje te blijven zitten en zichzelf daarna weer aan te kleden. De ouder of verzorger blijft erbij zitten en vertelt herhaaldelijk in eenvoudige bewoordingen waar de oefening toe dient. Het kind wordt geprezen of beloond als hij heeft gedaan wat van hem werd verwacht. Als het niet lukt of het kind heeft een ongelukje, heeft het geen zin boos te worden of het kind te straffen omdat dit averechts kan werken. Deze methode werkt goed voor kinderen die op voorspelbare tijden urine en ontlasting produceren. De training van kinderen met een onvoorspelbaar ritme kan beter worden uitgesteld totdat ze aangeven dat ze op het potje of naar de wc willen.

Een kind dat weigert op het potje of de wc te zitten, mag opstaan en het na een maaltijd nog een keer proberen. Als hij dagen achtereen blijft weigeren, is het beter de zindelijkheidstraining enkele weken uit te stellen. Het is zinvol het kind te prijzen of te belonen als hij iets in het potje of de wc heeft geproduceerd. Als het een gewoonte is geworden, kunnen de beloningen geleidelijk aan achterwege worden gelaten. Er wordt niets bereikt door een machtsstrijd aan te gaan en bovendien kan hierdoor de ouder-kindrelatie danig worden verstoord.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Verstandelijke ontwikkeling

Next: Bevordering van optimale gezondheid en ontwikkeling

Figures
Tables
Disclaimer