THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Introductie

Er is sprake van lage bloeddruk (hypotensie) als de bloeddruk laag genoeg is om symptomen te veroorzaken als duizeligheid en flauwvallen.

Normaal gesproken houdt het lichaam de druk van het bloed in de slagaders binnen nauwe grenzen. Als de bloeddruk te hoog wordt, kan een bloedvat beschadigd raken en zelfs scheuren, waardoor bloedingen of andere complicaties ontstaan. Als de bloeddruk te laag is, krijgen niet alle delen van het lichaam voldoende bloed aangevoerd, waardoor cellen te weinig zuurstof en voedingsstoffen krijgen aangeleverd en hun afvalstoffen onvoldoende worden afgevoerd. Toch is een lage bloeddruk over het algemeen beter dan een hoge bloeddruk. Gezonde mensen met een bloeddruk die (in rust gemeten) aan de lage kant is, maar nog wel binnen het normale bereik, leven gewoonlijk langer dan mensen die aan de bovenkant van het normale bereik zitten.

Het lichaam beschikt over verschillende compensatiemechanismen om de bloeddruk te reguleren (see Regulatie van de bloeddruk). Het kan bijvoorbeeld de diameter van de aders en kleine slagaders (arteriolen), de hoeveelheid bloed die door het hart wordt weggepompt (het hartminuutvolume) en het bloedvolume in de bloedvaten aanpassen. Dankzij deze mechanismen wordt de bloeddruk weer genormaliseerd na een verhoging of verlaging door normale activiteiten als lichamelijke inspanning of slapen.

Door verwijding (dilatatie) of vernauwing (contractie) van de aders verandert de hoeveelheid bloed die ze kunnen bevatten (hun capaciteit). Wanneer aders zich vernauwen, kunnen ze minder bloed bevatten zodat er meer bloed in de slagaders wordt geperst. Hierdoor stijgt de bloeddruk. Wanneer de aders zich daarentegen verwijden, wordt de hoeveelheid bloed die ze kunnen bevatten groter, zodat er minder bloed in de slagaders wordt geperst. Hierdoor daalt de bloeddruk.

Ook de kleine slagaders (arteriolen) kunnen zich verwijden of vernauwen. Hoe sterker de kleine slagaders zijn vernauwd, des te groter de weerstand die het bloed erin ondervindt en des te hoger de bloeddruk. Wanneer de kleine slagaders zich vernauwen (zodat hun diameter afneemt), stijgt de bloeddruk doordat er meer druk nodig is om het bloed door de nauwere opening te persen. Omgekeerd wordt bij verwijding van de arteriolen de weerstand die het bloed ondervindt geringer, zodat de bloeddruk daalt.

Hoe groter de hoeveelheid bloed die per minuut door het hart wordt weggepompt (dus hoe groter het hartminuutvolume), des te hoger de bloeddruk, zolang tenminste de weerstand die het bloed in de slagaders ondervindt, constant blijft. Het lichaam kan de hoeveelheid weggepompt bloed aanpassen door het hart langzamer of sneller te laten kloppen of door de kracht van de samentrekking te variëren.

Hoe groter het bloedvolume in de bloedvaten, des te hoger de bloeddruk, zolang tenminste de weerstand die het bloed in de slagaders ondervindt, constant blijft. De nieren kunnen de hoeveelheid in de urine uitgescheiden vocht variëren en zo de totale hoeveelheid bloed doen toe- of afnemen.

Deze compensatiemechanismen worden geactiveerd door speciale cellen die als druksensoren werken, de zogenoemde ‘baroreceptoren'. Deze in de slagaders gelegen sensoren controleren voortdurend de bloeddruk. Vooral die in de hals en borstkas zijn belangrijk. Wanneer deze sensoren een bloeddrukverandering waarnemen, zorgen ze ervoor dat een van de compensatiemechanismen in werking treedt, zodat de bloeddruk constant blijft. De signalen van de sensoren en de hersenen worden via zenuwbanen naar een aantal belangrijke organen geleid die de compensatiemechanismen reguleren:

  • het hart krijgt een signaal om de frequentie en de kracht van de hartslag aan te passen (en daarmee de hoeveelheid bloed die wordt weggepompt). Dit is een van de eerste aanpassingen die voor een snelle correctie van de bloeddruk zorgt;
  • de kleine slagaders krijgen een signaal om zich te vernauwen of te verwijden (waardoor de weerstand die het bloed ondervindt, wordt aangepast);
  • ook de aders krijgen een signaal om zich te vernauwen of te verwijden (waardoor de hoeveelheid bloed die ze kunnen bevatten, wordt aangepast);
  • de nieren krijgen een signaal om de hoeveelheid vocht die ze uitscheiden aan te passen (waardoor het bloedvolume in de bloedvaten verandert). Deze aanpassing levert pas na lange tijd resultaat op, zodat dit het traagste mechanisme voor bloeddrukregulatie is.

Wanneer iemand bijvoorbeeld een bloeding krijgt, daalt zijn bloedvolume en dus ook zijn bloeddruk. In dat geval activeren de sensoren de compensatiemechanismen om te voorkomen dat de bloeddruk te sterk daalt: de hartfrequentie neemt toe zodat er meer bloed wordt rondgepompt, de aders trekken zich samen zodat hun capaciteit afneemt en de kleine slagaders vernauwen zich zodat het bloed meer weerstand ondervindt. Als de bloeding is gestopt, wordt er vocht vanuit de weefsels in de bloedvaten opgenomen waardoor het bloedvolume toeneemt en de bloeddruk zich herstelt. De nieren gaan minder urine produceren. Het lichaam houdt hierdoor zo veel mogelijk vocht vast dat naar de bloedvaten kan terugkeren. Uiteindelijk gaan het beenmerg en de milt nieuwe bloedcellen aanmaken en wordt het bloedvolume weer volledig op peil gebracht.

Toch hebben deze compensatiemechanismen ook hun beperkingen. Als de patiënt bijvoorbeeld in korte tijd veel bloed verliest, kunnen deze mechanismen het verlies niet snel genoeg compenseren en daalt de bloeddruk.

illustrative-material.table-short 1

ENKELE OORZAKEN VAN LAGE BLOEDDRUK

verandering in compensatie- mechanisme

oorzaken

verandering in compensatie- mechanisme

oorzaken

       

afname van hartminuutvolume

hartritmestoornissen

beschadiging of verstoorde werking van hartspier (bijvoorbeeld als gevolg van een hartinfarct of virusinfectie)

hartklepaandoeningen

longembolie

afname van het bloedvolume

diarree

vochtafdrijvende middelen (zoals furosemide en hydrochloorthiazide)

grote bloedingen

overmatig transpireren

overmatig urineren (een veel voorkomend symptoom van onbehandelde diabetes mellitus of de ziekte van Addison)

verwijding van de bloedvaten

alcohol

bepaalde antidepressiva, zoals amitriptyline

bloeddrukverlagende geneesmiddelen die de bloedvaten doen verwijden (zoals calciumantagonisten, ACE-remmers en angiotensine-II-receptorblokkers)

nitraten

bacteriële infecties

blootstelling aan hitte

zenuwbeschadigingen (bijvoorbeeld als gevolg van diabetes, amyloïdose of ruggenmergbeschadiging)

remming van de werking van de hersencentra die de bloeddruk reguleren

alcohol

antidepressiva

bloeddrukverlagende middelen als methyldopa en clonidine

barbituraten

gestoorde werking van het autonome zenuwstelsel

amyloïdose

diabetes mellitus

Shy-Drager-syndroom (atrofiëring van diverse systemen)

ziekte van Parkinson

Oorzaken

Er bestaan verschillende aandoeningen en geneesmiddelen die de werking van de compensatiemechanismen kunnen verstoren, wat tot lage bloeddruk kan leiden. Zo kan het hartminuutvolume zijn verlaagd door een hartaandoening, zoals een hartinfarct (myocardinfarct), een hartklepgebrek, een extreem snelle hartslag (tachycardie), een zeer trage hartslag (bradycardie) of een andere hartritmestoornis (aritmie). Deze aandoeningen beïnvloeden het pompvermogen van het hart. Bij bacteriële infecties kunnen de bacteriën toxinen produceren die de kleine slagaders verwijden. Het bloedvolume kan afnemen door uitdroging, bloedingen of nieraandoeningen. Bij bepaalde nieraandoeningen zijn de nieren namelijk minder goed in staat vocht terug te geven aan de bloedvaten, met als gevolg verlies van grote hoeveelheden vocht in de urine. (Het omgekeerde gebeurt bij nierinsufficiëntie, waarbij de nieren onvoldoende vocht aan het bloed kunnen onttrekken. Dit kan leiden tot een teveel aan vocht (overvulling) en dus tot hoge bloeddruk.) Bij bepaalde neurologische aandoeningen worden de signalen van de sensoren onvoldoende doorgegeven aan de organen die verantwoordelijk zijn voor de compensatiemechanismen (een aandoening die bekend staat als ‘disfunctie van het autonome zenuwstelsel'). Voorts kunnen met het ouder worden de compensatiemechanismen trager gaan reageren op veranderingen in de bloeddruk.

Symptomen

Wanneer de bloeddruk te laag is, zijn de hersenen gewoonlijk het eerste orgaan dat slechter gaat functioneren. Dit komt doordat de hersenen zich in het bovenste deel van het lichaam bevinden en het bloed er tegen de zwaartekracht in naar toe moet worden gepompt. Daardoor voelen mensen met lage bloeddruk zich in staande houding vaak duizelig of licht in het hoofd en sommigen vallen zelfs flauw. Bij dat flauwvallen komen ze gewoonlijk op de grond terecht, waardoor de hersenen op gelijk niveau komen met het hart. Hierdoor kan het bloed zonder tegenwerking van de zwaartekracht naar de hersenen stromen zodat de bloedtoevoer naar de hersenen weer toeneemt en de hersenen tegen beschadiging worden beschermd. Bij zeer lage bloeddruk kan er echter toch hersenbeschadiging optreden.

Soms leidt lage bloeddruk tot kortademigheid of pijn op de borst door onvoldoende bloedtoevoer naar de hartspier (angina pectoris).

Als de bloeddruk te laag wordt en laag blijft, wordt de werking van alle organen aangetast; dit wordt ‘shock' genoemd. (Shock)

De aandoening die de lage bloeddruk veroorzaakt, kan ook allerlei andere symptomen teweegbrengen, die niet het gevolg zijn van de lage bloeddruk zelf. Zo kan een infectie ook koorts veroorzaken.

Bepaalde symptomen kunnen optreden wanneer de compensatiemechanismen van het lichaam de te lage bloeddruk proberen te verhogen. Wanneer bijvoorbeeld de kleine slagaders zich samentrekken, neemt de bloedtoevoer naar de huid, handen en voeten af. Hierdoor kunnen deze koud aanvoelen en blauwachtig van kleur worden. Wanneer het hart sneller en krachtiger gaat kloppen, neemt de patiënt dit waar als hartkloppingen (palpitaties).

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Next: Flauwvallen

Figures
Tables
Disclaimer