THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Urinewegstenen

Stenen (calculi) zijn harde massa's die overal in de urinewegen kunnen ontstaan en pijn, een bloeding, een afsluiting of infectie kunnen veroorzaken.

Afhankelijk van de plaats waar de steen is gevormd, wordt deze ‘niersteen', ‘uretersteen' of ‘blaassteen' genoemd. Het proces van steenvorming wordt ‘urolithiasis', ‘ureterolithiasis' of ‘nephrolithiasis' genoemd.

Jaarlijks wordt ongeveer 1 op de 1000 volwassenen behandeld in het ziekenhuis wegens urinewegstenen. Stenen komen het meest voor bij ouderen en mannen. De stenen kunnen ontstaan doordat de urine oververzadigd raakt met zouten die stenen kunnen vormen of doordat de urine te weinig stoffen bevat die steenvorming tegengaan. Citraat is zo'n stof, aangezien die zich normaal gesproken bindt aan calcium, dat vaak bij het ontstaan van stenen betrokken is. Ongeveer 80% van de stenen bestaat uit calcium. De rest bestaat uit verschillende stoffen, waaronder urinezuur, cystine en struviet. Stenen komen vaker voor bij mensen met bepaalde aandoeningen (bijvoorbeeld hoge bloeddruk en het short bowel syndrome) en bij mensen met een zeer eiwitrijk dieet of bij mensen die te weinig water drinken. Struvietstenen (een mengsel van magnesium, ammonium en fosfaat) worden ook wel ‘infectiestenen' genoemd, omdat ze alleen in geïnfecteerde urine ontstaan.

De steengrootte loopt uiteen van te klein om met het blote oog te kunnen waarnemen tot een diameter van 2,5 cm of meer. Een grote zogeheten ‘koraalsteen' kan het nierbekken en de kanaaltjes die erin uitmonden (nierkelken) vrijwel geheel opvullen.

Er kan een urineweginfectie ontstaan wanneer de boven de afsluiting opgehoopte urine bacteriën bevat. Wanneer de stenen de urinewegen langere tijd blokkeren, hoopt de urine zich op in de kanaaltjes in de nier, waardoor een overmatige druk ontstaat die de nier kan verwijden (hydronefrose) en uiteindelijk kan beschadigen.

Symptomen

Stenen, vooral hele kleine, hoeven geen symptomen te veroorzaken. Stenen in de blaas kunnen pijn in de onderbuik veroorzaken. Stenen die de urineleider, het nierbekken of de daarin uitmondende kanaaltjes verstoppen, kunnen rugpijn of nierkolieken veroorzaken. Een nierkoliek wordt gekenmerkt door een ondraaglijke pijn meestal in de flank (het gebied tussen de ribben en de heup), die met tussenpozen optreedt en uitstraalt naar de buik, vaak naar de geslachtsdelen en de binnenkant van het bovenbeen.

Andere symptomen zijn misselijkheid en braken, een opgezette buik, rillingen, koorts en bloed in de urine. De patiënt kan vaak aandrang tot urineren hebben, vooral als een steen de urineleider passeert.

Diagnostisch onderzoek

Stenen die pijn veroorzaken, worden meestal gediagnosticeerd op grond van de symptomen van een nierkoliek in combinatie met drukpijn in de rug en de lies of pijn rond de geslachtsdelen zonder duidelijke oorzaak. Verder onderzoek is meestal niet nodig, behalve wanneer de pijn langer dan een paar uur aanhoudt of de diagnose onzeker is. In de urine kan bloed of pus worden gevonden, ongeacht of er wel of geen symptomen zijn.

Op röntgenfoto's of echografische beelden van de buik kunnen stenen van calcium, cystine en struviet zichtbaar zijn, maar stenen van urinezuur meestal niet. Indien nodig kunnen andere diagnostische onderzoeken worden uitgevoerd. Bij intraveneuze urografie wordt een röntgenologisch zichtbare contrastvloeistof in een ader ingespoten. De stof komt in de nieren terecht, waardoor de omtrek van urinezuurstenen op de röntgenfoto's zichtbaar wordt. Bij retrograde urografie wordt de contrastvloeistof via de plasbuis in de urinewegen gebracht. Computertomografie (CT-scan) wordt meestal gebruikt in situaties waarin de diagnose niet op basis van andere onderzoeken kan worden gesteld.

Behandeling

Kleine stenen die geen symptomen, afsluiting of infectie veroorzaken, hoeven meestal niet te worden behandeld. Veel vocht drinken of, als voldoende drinken niet mogelijk is, intraveneuze toediening van grote hoeveelheden vocht, stimuleert de urineproductie en helpt sommige stenen uit te spoelen. Als een steen eenmaal is uitgeplast, is geen andere spoedbehandeling nodig. De pijn bij een nierkoliek kan met niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's) of opioïden worden verlicht.

Vaak kan een steen met een diameter van 2,5 cm of kleiner in het nierbekken of het bovenste gedeelte van de urineleider worden vergruisd met ultrageluidsgolven die door een niersteenvergruizer op het lichaam worden gericht. Dit wordt ‘extracorporele schokgolflithotripsie' genoemd. De steenbrokjes worden vervolgens met de urine uitgeplast. Soms wordt een steen verwijderd met een tangetje dat via een kleine insnijding in de huid wordt ingebracht (percutane nefrolithotomie) of kan de steen met een lithotripsiesonde in stukjes worden gebroken.

Kleine stenen in het onderste gedeelte van de urineleider kunnen worden verwijderd met een kleine flexibele scoop (ureteroscoop, een type endoscoop) die via de plasbuis en de blaas wordt ingebracht. In sommige gevallen kan de ureteroscoop ook samen met een instrument worden gebruikt waarmee de stenen in kleine stukjes worden gebroken (een ingreep die ‘intracorporele lithotripsie' wordt genoemd). Deze stukjes kunnen dan met de ureteroscoop worden verwijderd of worden uitgeplast.

Urinezuurstenen lossen soms geleidelijk op wanneer de urine basischer (minder zuur) wordt gemaakt (bijvoorbeeld met kaliumcitraat dat 4 tot 6 maanden lang oraal wordt ingenomen), maar andersoortige stenen kunnen op deze manier niet worden verwijderd. Grotere stenen, die een afsluiting veroorzaken, moeten soms operatief worden verwijderd.

Preventie

De maatregelen om vorming van nieuwe stenen te voorkomen zijn afhankelijk van de samenstelling van de bestaande stenen. Deze stenen worden onderzocht en de concentraties van stoffen in de urine die stenen kunnen vormen, worden bepaald.

Het wordt aanbevolen grote hoeveelheden water (per dag acht tot tien glazen van 300 ml) te drinken. Een dieet met een beperkte hoeveelheid calcium in combinatie met het gebruik van natriumcellulosefosfaat (een soort hars) kan ook helpen, maar door dergelijke maatregelen kunnen de calciumspiegels ook te laag worden. Veel patiënten met calciumstenen hebben een aandoening waarbij te veel calcium in de urine wordt uitgescheiden (hypercalciurie). Door thiazidediuretica (vochtafdrijvende middelen op basis van thiazide), zoals hydrochloorthiazide, kan de concentratie van calcium in de urine dalen, waardoor de vorming van nieuwe stenen bij deze patiënten mogelijk kan worden voorkomen. Kaliumcitraat kan worden toegediend om een lage citraatspiegel (citraat remt de steenvorming) in de urine te verhogen.

Een hoge oxalaatspiegel in de urine (oxalaat draagt bij aan de vorming van calciumstenen) kan ontstaan door overmatige consumptie van oxalaatrijke voedingsmiddelen, zoals rabarber, spinazie, cacao, noten, peper en thee, of door bepaalde darmaandoeningen. Verandering van het voedingspatroon kan helpen en de achterliggende aandoening kan worden behandeld.

In zeldzame gevallen ontstaan calciumstenen als gevolg van hyperparathyreoïdie, sarcoïdose, vitamine-D-vergiftiging, renale tubulaire acidose of kanker. In die gevallen moet de achterliggende aandoening worden behandeld.

Bij urinezuurstenen wordt aanbevolen weinig vlees, vis en gevogelte te eten omdat door deze voedingsmiddelen de hoeveelheid urinezuur in de urine stijgt. Met het middel allopurinol kan de urinezuurproductie worden verlaagd. Alle patiënten met urinezuurstenen moeten met kaliumcitraat worden behandeld om de urine basischer te maken, omdat urinezuurstenen ontstaan wanneer de zuurgraad van urine stijgt.

Struvietstenen moeten meestal met extracorporele schokgolflithotripsie of operatief worden verwijderd. Antibiotica bij urineweginfecties helpen pas nadat de stenen zijn verwijderd.

illustrative-material.figure-short 2

Stenen verwijderen met behulp van geluidsgolven

Stenen verwijderen met behulp van geluidsgolven

Nierstenen kunnen soms worden vergruisd door geluidsgolven die door een lithotriptor (niersteenvergruizer) worden voortgebracht. Deze methode wordt ‘extracorporele schokgolflithotripsie' genoemd. Nadat de steen met echografie of röntgendoorlichting is gelokaliseerd, wordt de lithotriptor tegen de rug geplaatst. De geluidsgolven worden op de steen gericht en doen de steen uiteenvallen. Vervolgens moet de patiënt veel vocht drinken om de stukjes steen uit de nieren te spoelen en met de urine te laten verdwijnen. Soms bevat de urine na deze ingreep bloed of is de buikwand licht beschadigd, ernstige problemen treden echter zelden op.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Hydronefrose

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer