THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Diagnostisch onderzoek

Diagnostische tests kunnen nodig zijn om een diagnose te bevestigen die voortkomt uit de anamnese en het lichamelijk onderzoek.

Lumbaalpunctie

Bij een lumbaalpunctie (ruggenprik) wordt met een holle naald een monster van de ruggenmergvloeistof (liquor cerebrospinalis) opgezogen en vervolgens voor onderzoek naar een laboratorium gestuurd.

Liquoronderzoek kan aanwijzingen opleveren voor infecties, verwondingen, tumoren en bloedingen in de hersenen en het ruggenmerg. Door deze aandoeningen kunnen veranderingen optreden in de samenstelling van de liquor, die normaal gesproken helder en kleurloos is. Witte bloedcellen in de liquor maken bijvoorbeeld de liquor troebel en duiden op een bacteriële infectie van de vliezen die de hersenen en het ruggenmerg omgeven (bacteriële meningitis).

Een hoge eiwitconcentratie in de vloeistof duidt op beschadiging van de hersenen, het ruggenmerg of een ruggenmergwortel (het eerste gedeelte van een ruggenmergzenuw waar deze uit het ruggenmerg komt), maar geeft verder geen aanwijzingen over de oorzaak van de beschadiging. Abnormale antilichamen in de vloeistof wijzen op multipele sclerose. Een lage glucosespiegel is een aanwijzing voor meningitis of kanker. De aanwezigheid van bloed in de vloeistof duidt op een hersenbloeding. Diverse ziekten, waaronder hersentumoren en meningitis, kunnen de liquordruk verhogen.

Voordat de arts een lumbaalpunctie uitvoert, onderzoekt hij de oogzenuw (see Symptomen en diagnose van oogaandoeningenFigures) met een oftalmoscoop (oogspiegel). De oogzenuw puilt uit wanneer de druk in de schedel verhoogd is. Als de druk hoger is door de aanwezigheid van een weefselmassa (bijvoorbeeld een tumor) in de schedel, kan een lumbaalpunctie van de hersenen tot gevolg hebben (see HoofdletselsFigures). Dit kan een fatale complicatie zijn. Aan de hand van de resultaten van het neurologisch onderzoek kan de arts vaak vaststellen of er een weefselmassa aanwezig is. Als de arts nog geen zekerheid heeft, laat hij computertomografie (CT) van het hoofd uitvoeren.

Bij een lumbaalpunctie wordt een naald ingebracht tussen twee wervels in het onderste gedeelte van de wervelkolom onder het niveau van het ruggenmerg. Tijdens een lumbaalpunctie kan de arts direct de druk binnen de schedel meten. De druk wordt gemeten door op de naald die voor de lumbaalpunctie wordt gebruikt, een drukmeter te bevestigen en de hoogte van de vloeistofkolom af te lezen.

Een lumbaalpunctie duurt meestal niet langer dan 15 minuten en wordt veelal aan het bed van de patiënt uitgevoerd.

Bij ongeveer een op de tien mensen treedt hoofdpijn op wanneer ze opstaan na een lumbaalpunctie. Deze hoofdpijn verdwijnt meestal na enkele dagen of weken. Andere problemen komen zeer zelden voor.

illustrative-material.figure-short 2

Hoe wordt een lumbaalpunctie uitgevoerd?

Hoe wordt een lumbaalpunctie uitgevoerd?

Een dunne, holle naald wordt tussen twee wervels in het onderste gedeelte van het wervelkanaal ingebracht, meestal tussen de derde en vierde lendenwervel, onder het punt waar het ruggenmerg eindigt, waarna een monster van de ruggenmergvloeistof wordt afgenomen. (In de ruimte tussen de middelste en de binnenste vlies waarmee het ruggenmerg is bedekt, de subarachnoïdale ruimte, bevindt zich ruggenmergvloeistof.) De ruggenmergvloeistof (cerebrospinale vloeistof of liquor) druppelt via de naald in een buisje, waarna het monster voor laboratoriumonderzoek wordt opgestuurd.

Computertomografie (CT)

Computertomografie (het maken van een CT-scan) is een computergestuurde methode voor serieonderzoek van röntgenopnamen die onder verschillende hoeken zijn gemaakt. De computer genereert tweedimensionale beelden met een hoge resolutie die anatomische doorsneden van een orgaan weergeven.

Met behulp van computertomografie kan een groot aantal aandoeningen van de hersenen en het ruggenmerg nauwkeurig worden vastgesteld, bijvoorbeeld een waterhoofd (hydrocefalus), aangeboren afwijkingen, tumoren, gebieden met afgestorven hersenweefsel als gevolg van een cerebrovasculair accident (CVA) en een gescheurde of uitpuilende tussenwervelschijf. Computertomografie wordt niet alleen gebruikt om neurologische aandoeningen vast te stellen maar ook om de effectiviteit van een behandeling te volgen, bijvoorbeeld de behandeling van een hersenabces met antibiotica of van een hersentumor met radiotherapie. Vergeleken met MRI (zie verder) worden met computertomografie veel duidelijkere beelden verkregen van afwijkingen van de schedel en de wervelkolom en van de gevolgen van een hersenbloeding in de eerste 24 uur.

De patiënt moet tijdens het maken van een CT-scan stil blijven liggen, omdat het beeld anders onduidelijk wordt. Het maken van de scan duurt 15 minuten tot een uur, afhankelijk van het lichaamsdeel dat wordt gescand en de resolutie die daarvoor nodig is. Bij een verwonding wordt bijvoorbeeld vaak een snelle CT-scan met lage resolutie gemaakt om snel resultaten te verkrijgen.

Bij een spiraal-CT-scan (helical CT scan) draait de scanner snel om de patiënt heen en maakt achter elkaar een groot aantal röntgenopnamen. Met deze methode worden afbeeldingen van bloedvaten verkregen die bijna net zo duidelijk zijn als afbeeldingen die met magnetischeresonantieangiografie (MRA) worden gemaakt (see Magnetischeresonantieangiografie).

Om de afwijkingen op de scan nog duidelijker te maken kan intraveneus een contrastmiddel (een stof die zichtbaar is op röntgenopnamen) worden ingespoten. Wanneer het contrastmiddel wordt ingespoten, geeft dit de patiënt vaak een warm gevoel door zijn hele lichaam. Sommige mensen vertonen een allergische reactie op het contrastmiddel.

Magnetische kernspinresonantie (MRI)

Bij magnetische kernspinresonantie, beter bekend als MRI (magnetic resonance imaging), van de hersenen of het ruggenmerg wordt gebruikgemaakt van een magnetisch veld en radiogolven met een zeer hoge frequentie om uiterst gedetailleerde anatomische afbeeldingen te maken. Een MRI is effectiever dan een CT-scan met betrekking tot het opsporen van de meeste neurologische aandoeningen, zoals eerdere herseninfarcten, hersentumoren, afwijkingen van de hersenstam en de kleine hersenen en ook multipele sclerose.

Bij deze methode wordt de patiënt in een tunnel met een elektromagnetisch veld geschoven. De patiënt wordt dan bestraald met radiogolven, waardoor weefsels in het lichaam radiosignalen uitzenden. Deze signalen worden omgezet in beelden. Om een duidelijker beeld te krijgen wordt bij een kwart van deze onderzoeken intraveneus een stof ingespoten die zwak wordt aangetrokken door sterke magnetische velden (paramagnetisch contrastmiddel). MRI maakt geen gebruik van röntgenstraling en is meestal zeer veilig. Net als tijdens een CT-scan dient de patiënt stil te blijven liggen. Het maken van een volledige scan duurt 10 minuten tot anderhalf uur, afhankelijk van het lichaamsdeel dat wordt gescand.

MRI kan op meerdere manieren worden toegepast bij hersenonderzoek. Hierbij wordt steeds hetzelfde apparaat gebruikt maar met andere software. Met behulp van functionele MRI kunnen afbeeldingen worden gemaakt van de hersengebieden die actief zijn bij de uitvoering van een taak, zoals lezen, schrijven, onthouden, rekenen of het bewegen van een arm of been. Een andere toepassing betreft het identificeren van bepaalde chemische stoffen in kleine hersengebieden zodat een hersentumor kan worden onderscheiden van een hersenabces. Perfusie-MRI kan worden gebruikt om de bloedstroom in een bepaald gebied in te schatten. Diffusie-MRI kan worden gebruikt om plotselinge vochtophoping (oedeem) op te sporen.

MRI kan niet worden toegepast bij mensen met een pacemaker, magnetische metalen clips (voor de behandeling van aneurysma's) of andere beweegbare, magnetische apparaatjes in hun lichaam, omdat deze door het magnetisch veld kunnen gaan bewegen, oververhit kunnen raken of andere storingen kunnen vertonen. MRI heeft geen effect op andere metalen hulpmiddelen, zoals kunstheupen en staven om de wervelkolom recht te houden. Als MRI niet mogelijk is, wordt CT gebruikt. Patiënten die afhankelijk zijn van beademingsapparatuur, kunnen aan speciale apparatuur zonder metalen onderdelen worden gekoppeld of een laborant kan hun tijdens het onderzoek met een ballon en een masker met de hand zuurstof toedienen.

Aan mensen die snel last hebben van ernstige claustrofobie, kan een kalmerend middel worden toegediend. Een andere mogelijkheid is het gebruik van een MRI-apparaat met een of meer open kanten (open MRI). Bij deze methode is het niet nodig om de patiënt in een nauwe tunnel te plaatsen. Open MRI wordt ook gebruikt voor mensen met overgewicht die niet in de MRI-tunnel passen. De beelden zijn echter iets minder duidelijk en minder gedetailleerd dan de beelden bij de gebruikelijke gesloten MRI-tunnel.

Magnetischeresonantieangiografie

Magnetischeresonantieangiografie (MRA) is MRI waarmee de bloedvaten in het hoofd-halsgebied in beeld worden gebracht. MRA wordt vaak samen met MRI toegepast om mensen te onderzoeken die een CVA hebben doorgemaakt. MRA wordt ook toegepast wanneer hersenangiografie te veel risico's met zich meebrengt voor een bepaalde patiënt of wanneer een patiënt hersenangiografie weigert.

In tegenstelling tot hersenangiografie is MRA geen invasieve procedure, hoeft er geen katheter in een slagader te worden gebracht en is het meestal niet nodig om intraveneus een paramagnetisch contrastmiddel in te spuiten. Hersenangiografie levert echter wel nauwkeurigere beelden van de bloedvaten op dan MRA.

Echo-encefalografie

Echo-encefalografie maakt gebruik van ultrageluidsgolven (echoscopie) om een beeld van de hersenen te produceren. Deze eenvoudige, pijnloze en relatief goedkope methode wordt voornamelijk toegepast op kinderen jonger dan twee jaar, omdat hun schedel nog dun genoeg is om de ultrageluidsgolven door te laten. Het onderzoek kan snel en aan het bed worden uitgevoerd om een waterhoofd (hydrocefalus) of bloeding op te sporen. CT en MRI hebben echo-encefalografie grotendeels vervangen omdat deze methoden vooral bij oudere kinderen en volwassenen veel betere afbeeldingen opleveren.

Positronemissietomografie (PET)

Bij positronemissietomografie (PET) wordt een stof die nodig is voor de hersenfunctie (zoals zuurstof of glucose), gemerkt met een radioactief molecuul (radionuclide) dat gedurende een zeer korte tijd positief geladen deeltjes (positronen) afgeeft. Een PET-scan kan informatie opleveren over epilepsie, hersentumoren en CVA's. Functionele MRI is echter minder invasief, maakt geen gebruik van radioactieve stoffen en heeft de PET-techniek daarom vervangen. PET wordt voornamelijk voor onderzoeksdoeleinden gebruikt.

Bij deze techniek wordt een gemerkte stof, een zogenoemde ‘tracer', in een ader gespoten. Deze stof wordt binnen ongeveer één minuut door de hersenen verspreid. Het hoofd van de patiënt wordt in een ringvormige PET-scanner geplaatst, die vanuit verschillende hoeken straling opvangt en de plekken met een hoge activiteit registreert. Hoe meer stofwisselingsactiviteit er in een hersengebied plaatsvindt, hoe groter de hoeveelheid tracer die daar wordt opgenomen en hoe meer straling er wordt afgegeven. De scan laat vervolgens de verschillende niveaus van activiteit in verschillende kleuren zien. De techniek kan bijvoorbeeld laten zien welk hersengedeelte het meest actief is bij het uitvoeren van wiskundige berekeningen. Met behulp van een computer kan een driedimensionaal beeld van het gebied worden vervaardigd. De radioactiviteit is laag, onschadelijk voor het lichaam en verdwijnt binnen enkele uren.

Single photon emission computerized tomography (SPECT)

Bij SPECT wordt gebruikgemaakt van radionucliden om beelden te verkrijgen van de doorbloeding van de hersenen. De radionucliden worden intraveneus ingespoten en komen via de bloedbaan in de hersenen. De hoeveelheid radionucliden die het hersenweefsel opneemt, geeft een indicatie van de hoeveelheid bloed die er doorheen stroomt. Een ronddraaiende camera registreert de energie (gammastraling) die door de radionuclide wordt afgegeven. Deze informatie wordt geanalyseerd door een computer, die vervolgens dwarsdoorsneden of driedimensionale beelden samenstelt. De techniek is minder nauwkeurig en specifiek dan positronemissietomografie en is grotendeels vervangen door perfusie-MRI.

Hersenangiografie

Hersenangiografie (arteriografie) is een invasieve techniek die wordt toegepast om afwijkingen van de bloedvaten in de hersenen op te sporen. Met behulp van hersenangiografie kunnen aandoeningen worden aangetoond als een plaatselijke verwijding van een verzwakte slagaderwand (aneurysma), een ontsteking van de slagaders (arteriitis), abnormale verbindingen tussen vaten (arterioveneuze misvorming) of een afgesloten bloedvat dat een herseninfarct kan veroorzaken.

Bij deze methode wordt een katheter via een kleine insnijding ingebracht in een slagader, meestal in de lies. De plek van de insnijding wordt plaatselijk verdoofd. Vervolgens wordt de katheter via de aorta naar een halsslagader opgevoerd. Wanneer de katheter op zijn plaats zit, wordt een contrastmiddel door de katheter in de slagader gespoten. Door het contrastmiddel worden de bloedvaten afgetekend zodat de doorstromingspatronen in de hersenen zichtbaar zijn op röntgenopnamen. De beelden van de bloedvaten die met behulp van hersenangiografie zijn gemaakt, zijn gedetailleerder dan de beelden die zijn verkregen met MRA.

Kleurendopplerechografie

Met kleurendopplerechografie worden verschillende stroomsnelheden van het bloed in verschillende kleuren weergegeven (see Echocardiografie en andere echografische procedures). De techniek wordt voornamelijk toegepast om de bloedstroom door de halsslagaders of door de slagaders aan de hersenbasis (arteria vertebralis, arteria basilaris, de cirkel van Willis en arteria cerebri media) te meten en om vernauwingen of afsluitingen van deze slagaders vast te stellen en te onderzoeken. Kleurendopplerechografie kan op deze manier worden gebruikt om het risico van een herseninfarct te bepalen. De techniek is geschikt om mensen te onderzoeken die een transient ischemic attack (TIA; voorbijgaande cerebrale ischemie) hebben gehad of mensen met risicofactoren voor atherosclerose, maar zonder symptomen.

Bij deze pijnloze procedure wordt tijdens de opname een sonde (transducer) vastgehouden die geluidsgolven met een hoge frequentie (ultrasone golven) uitzendt. De golven worden teruggekaatst door de structuren in het lichaam en produceren een bewegend beeld. De arts brengt gel aan op de hals van de patiënt en beweegt de sonde vervolgens over deze plek. De sonde is verbonden met een monitor waarop het beeld is te zien. Kleurendopplerechografie kan aan het bed of in de behandelkamer worden uitgevoerd, is relatief goedkoop en maakt geen gebruik van röntgenstralen.

Myelografie

Bij myelografie worden röntgenopnamen van het ruggenmerg gemaakt nadat een contrastmiddel, meestal johexol, via een lumbaalpunctie in de ruggenmergvloeistof is ingespoten. Myelografie is vrijwel overal door MRI vervangen, omdat deze laatste techniek nauwkeuriger informatie oplevert en eenvoudiger en veiliger is. Myelografie wordt nog steeds in combinatie met CT gebruikt wanneer de arts een aanvullend gedetailleerd beeld van het wervelkanaal en het omliggende botweefsel nodig heeft dat niet met MRI kan worden verkregen. De combinatie myelografie en CT wordt ook toegepast in noodgevallen wanneer MRI niet beschikbaar is.

Elektro-encefalografie

Elektro-encefalografie (EEG) is een snelle, eenvoudige en pijnloze methode waarmee de elektrische activiteit van de hersenen wordt weergegeven als golfpatronen op een strook papier of wordt opgeslagen in de computer (see Epileptische aandoeningenFigures). Met behulp van EEG kunnen epilepsie, slaapstoornissen en bepaalde stofwisselingsziekten of structurele aandoeningen van de hersenen worden vastgesteld. Zo kan de arts op een EEG de kenmerkende patronen van elektrische activiteit zien die voorkomen bij verwardheid als gevolg van leverinsufficiëntie, of de verminderde elektrische activiteit bij beschadiging van de hersenen, bijvoorbeeld als gevolg van een CVA.

Bij deze methode worden kleine, ronde sensoren (elektroden) op de hoofdhuid van de patiënt geplakt. De elektroden worden met draden aan een apparaat verbonden dat de kleine spanningsveranderingen registreert die door de elektroden worden gemeten. Een elektro-encefalogram is een weergave van deze geregistreerde gegevens.

Bij mensen met een epileptische aandoening wordt een EEG na een lange periode zonder slaap uitgevoerd omdat door slaaponthouding de epileptische activiteit meestal toeneemt. Een EEG wordt ook wel gemaakt nadat de patiënt eerst snel en diep heeft ingeademd (hyperventilatie) en aan lichtflitsen is blootgesteld omdat hierdoor abnormale elektrische activiteit kan worden opgewekt.

In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer bepaald gedrag dat op epilepsie lijkt moeilijk te onderscheiden is van een psychiatrische aandoening, wordt de elektrische hersenactiviteit gedurende 24 uur of langer geregistreerd terwijl de patiënt in het ziekenhuis via een camera wordt bewaakt. De camera registreert het epilepsieachtige gedrag en de arts kan uit het EEG van hetzelfde moment afleiden of er sprake is van epileptische activiteit of onveranderde, normale elektrische activiteit, wat op een psychiatrische aandoening wijst.

Evoked potentials (opgeroepen reacties)

Gezichts-, gehoor- en aanrakingsprikkels worden gebruikt om bepaalde gebieden in de hersenen te activeren, dat wil zeggen, om reacties op te roepen. Zo prikkelen lichtflitsen het netvlies, de oogzenuw en de zenuwbaan naar het achterste gedeelte van de hersenen waar beelden worden waargenomen en geïnterpreteerd. Elektro-encefalografie (EEG) wordt toegepast om elektrische activiteit te registreren die door de prikkels wordt opgewekt. De reactie van de hersenen op één prikkel is meestal te zwak om met behulp van EEG op te vangen. Als er echter meerdere prikkels worden gegeven, kunnen de reacties van de hersenen op deze prikkels door een computer worden uitgemiddeld en in een golfpatroon worden weergegeven.

Evoked potentials geven informatie over hoe een bepaald gedeelte van de hersenen functioneert. Deze procedure is vooral geschikt om het functioneren van de zintuigen bij kinderen te onderzoeken. De arts kan bijvoorbeeld het gehoor van een zuigeling testen door te controleren of het reageert wanneer bij elk oor een klikgeluid wordt gemaakt. Evoked potentials zijn ook zinvol om de effecten van multipele sclerose en andere aandoeningen van de oogzenuw, de hersenstam en het ruggenmerg vast te stellen. Dergelijke effecten kunnen soms wel en soms niet met behulp van MRI worden aangetoond.

Elektromyografie

Bij elektromyografie worden dunne naalden in een spier gestoken om de elektrische activiteit van een spier te registreren wanneer de spier in rust is en wanneer deze samentrekt. Een spier in rust produceert doorgaans geen elektrische activiteit. Een kleine spiersamentrekking veroorzaakt enige elektrische activiteit, die toeneemt naarmate de spier zich sterker samentrekt.

Deze techniek wordt gebruikt in combinatie met zenuwgeleidingsonderzoek om aandoeningen van de spieren, perifere zenuwen, ruggenmergwortels en de verbindingen tussen spieren en zenuwen vast te stellen. Aandoeningen die de verbinding tussen een zenuw en een spier verzwakken, veroorzaken een afwijkende elektrische activiteit in de spieren. Voorbeelden van dergelijke aandoeningen zijn het carpaletunnelsyndroom en diabetische neuropathie. Aandoeningen van de spier zelf (de zenuw functioneert normaal) geven een ander soort elektrische activiteit. Een voorbeeld van een spieraandoening is polymyositis.

Zenuwgeleidingsonderzoek

Bij zenuwgeleidingsonderzoek wordt de snelheid gemeten waarmee de motorische en sensibele zenuwen signalen geleiden. Dit onderzoek wordt toegepast om te bepalen of symptomen als spierzwakte door een zenuwaandoening worden veroorzaakt. Als spierzwakte door een zenuwaandoening wordt veroorzaakt (zoals het carpaletunnelsyndroom, waarbij een zenuw door banden in de pols wordt ingeklemd), is de zenuwgeleiding meestal vertraagd. Als de spierzwakte door een spieraandoening wordt veroorzaakt, blijft de zenuwgeleidingssnelheid normaal. Als de spierzwakte door een aandoening van de hersenen of het ruggenmerg wordt veroorzaakt, zijn de geleidingssnelheid en de resultaten van elektromyografie normaal. Spierzwakte kan ook ontstaan doordat de verbinding tussen een normaal functionerende zenuw en een normaal functionerende spier (neuromusculaire verbinding) niet goed werkt. Voorbeelden hiervan zijn myasthenia gravis, botulisme en difterie.

Bij zenuwgeleidingsonderzoek ontvangt de zenuw die wordt onderzocht, een kortdurende elektrische spanning om een prikkel op te wekken. De spanning kan worden gegeven via diverse elektroden die op het huidoppervlak zijn geplakt of via diverse dunne naalden die op verschillende plaatsen worden gestoken in de zenuwbaan die vermoedelijk is aangetast. De prikkel beweegt langs de zenuw en bereikt uiteindelijk de spier, die hierdoor samentrekt. Door de tijd te meten die de prikkel nodig heeft om de spier te bereiken en de afstand te bepalen van de elektrode of naald naar de spier, kan de arts de snelheid van de prikkel berekenen.

Een zenuw wordt soms herhaaldelijk geprikkeld zodat de arts kan vaststellen hoe goed de verbinding tussen de zenuw en de spier functioneert. Op de verbindingsplaats moet de zenuwprikkel van de zenuw naar de spier oversteken. Als deze verbinding niet goed functioneert (zoals bij myasthenia gravis), zal bij zenuwgeleidingsonderzoek waarbij de zenuw herhaaldelijk wordt geprikkeld, een steeds zwakkere reactie van de spier worden gevonden.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Lichamelijk onderzoek

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer