THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Lichamelijk onderzoek

Wanneer een neurologische aandoening wordt vermoed, onderzoekt de arts tijdens het lichamelijk onderzoek doorgaans alle lichaamssystemen, maar met nadruk op het zenuwstelsel. Het neurologische aspect van het onderzoek bestaat uit een beoordeling van de geestelijke gezondheid, de hersenzenuwen, de motorische en sensibele zenuwen, de reflexen, de coördinatie, de houding en wijze van lopen, de regulatie van inwendige lichaamsprocessen (door het autonome zenuwstelsel) en de bloedtoevoer naar de hersenen.

Onderzoek van de geestelijke gezondheid: de arts onderzoekt de aandacht, de oriëntatie ten opzichte van plaats, tijd en persoon, het geheugen en diverse vermogens, zoals abstract denken, het opvolgen van bevelen, het taalgebruik en het oplossen van wiskundige problemen. Het onderzoek bestaat uit een reeks vragen en opdrachten, zoals voorwerpen benoemen, korte woordenreeksen onthouden, zinnen schrijven en vormen natekenen. De antwoorden worden geregistreerd en de nauwkeurigheid ervan wordt bepaald. Ook de stemming wordt onderzocht. Als de patiënt aangeeft zich depressief te voelen, vraagt de arts of de patiënt wel eens suïcidale gedachten heeft.

illustrative-material.table-short 1

ONDERZOEK VAN DE GEESTELIJKE GEZONDHEIDSTOESTAND

wat de patiënt kan worden gevraagd te doen

wat dit onderzoek aangeeft

de huidige datum en plaats en de naam van bepaalde mensen noemen

oriëntatie ten opzichte van plaats, tijd en persoon

een korte lijst van voorwerpen herhalen

aandacht, alertheid

na 3 tot 5 minuten de korte lijst voorwerpen herhalen

direct geheugen

een gebeurtenis beschrijven die in de afgelopen twee dagen heeft plaatsgevonden

kortetermijngeheugen

gebeurtenissen uit een ver verleden beschrijven

langetermijngeheugen

een spreekwoord uitleggen (bijvoorbeeld ‘hoge bomen vangen veel wind') of een bepaalde analogie uitleggen (bijvoorbeeld ‘waarom de hersenen op een computer lijken')

abstract denken

gevoelens en meningen over de ziekte beschrijven

inzicht in de ziekte

de laatste drie koninginnen en de hoofdstad noemen

algemene kennis

vertellen hoe hij zich vandaag en hoe hij zich gewoonlijk voelt

stemming

een eenvoudige opdracht uitvoeren waarbij drie lichaamsdelen betrokken zijn en waarbij rechts en links moeten worden onderscheiden (bijvoorbeeld ‘leg uw rechterduim op uw linkeroor en steek uw tong uit')

vermogen om eenvoudige opdrachten uit te voeren

eenvoudige voorwerpen en lichaamsdelen benoemen en bepaalde zinnen lezen, opschrijven en herhalen

taalfunctie

op de tast herkennen van kleine in de hand gehouden voorwerpen en op de handpalm geschreven getallen en onderscheid maken tussen op één of twee plaatsen aangeraakt worden (bijvoorbeeld op de handpalm en op de vingers)

verwerking van zintuiglijke informatie door de hersenen

eenvoudige en ingewikkelde structuren (bijvoorbeeld met blokken) nabouwen of vingerstanden nadoen en een klok, kubus of huis tekenen

ruimtelijk inzicht

tandenpoetsen of een lucifer uit het doosje nemen en aanstrijken

vermogen om een bepaalde handeling uit te voeren

een eenvoudige rekensom uitvoeren

rekenvaardigheid

Hersenzenuwen: de arts onderzoekt de functie van de twaalf hersenzenuwen, die direct met de hersenen zijn verbonden (see Aandoeningen van de hersenzenuwenTables). Hoeveel zenuwen worden onderzocht, is afhankelijk van het type aandoening dat wordt vermoed. Hersenzenuw I (de reukzenuw) wordt bijvoorbeeld meestal niet onderzocht als de arts een spieraandoening vermoedt, maar wel als de patiënt hoofdletsel heeft opgelopen. Een hersenzenuw kan op elke willekeurige plaats over zijn gehele lengte door een verwonding, tumor of infectie worden beschadigd. Het is belangrijk om de exacte plaats van de beschadiging vast te stellen.

Motorische en sensibele zenuwen: motorische zenuwen geleiden signalen van de hersenen naar de willekeurige spieren (spieren die bewust worden aangestuurd), zoals de beenspieren. Spierzwakte of verlamming kan wijzen op beschadiging van een motorische zenuw. De arts let op afname van de spiermassa (atrofie), wat optreedt als een motorische zenuw de spier niet stimuleert. Vervolgens zal de arts de patiënt vragen tegen een weerstand in te duwen of te trekken om na te gaan of er spieren zijn verzwakt.

De sensibele zenuwen voeren informatie naar de hersenen over zaken als druk, pijn, warmte, koude, trilling, de positie van lichaamsdelen en de vorm van voorwerpen. Een abnormaal gevoel of verminderde zintuiglijke waarneming kan wijzen op beschadiging van een sensibele zenuw. Door de sensibele zenuwen te onderzoeken kan de arts de exacte plaats (het niveau) van beschadiging van het ruggenmerg vaak vaststellen. Sensibele zenuwen geleiden informatie uit specifieke gedeelten van het lichaamsoppervlak uiteindelijk in de ruggenmergwortels, opgesplitst in zogenoemde ‘dermatomen' (see RuggenmergaandoeningenFigures), naar een specifiek niveau van het ruggenmerg. Gevoelsverlies in gebieden op het lichaamsoppervlak die informatie ontvangen vanuit een specifiek niveau van het ruggenmerg en de daaronder gelegen niveaus, wijst daarom op beschadiging van dat niveau van het ruggenmerg.

Het huidoppervlak wordt onderzocht op gevoelsverlies. De arts richt zich doorgaans op het gebied waar de patiënt gevoelloosheid, tintelingen of pijn ervaart. Hierbij wordt eerst een speld en vervolgens een stomp voorwerp (bijvoorbeeld de kop van een veiligheidsspeld) gebruikt om te zien of de patiënt onderscheid kan maken tussen scherpe en stompe prikkels. Soms wordt het vermogen onderzocht om lichte aanraking, warmte en trillingen te voelen. Om het gevoel voor positie te onderzoek zal de arts de patiënt vragen de ogen te sluiten, vervolgens een vinger of teen van de patiënt omhoog of omlaag bewegen en vragen om de betreffende positie te beschrijven.

Reflexen: een reflex is een automatische reactie op een prikkel. Het onderbeen strekt zich bijvoorbeeld plotseling als er met een rubber hamertje zacht op de pees onder de knieschijf wordt getikt. De baan die een reflex volgt (reflexboog), vormt een volledig circuit buiten de hersenen om. De arts onderzoekt de reflexen om na te gaan of de sensibele zenuw naar het ruggenmerg, de zenuwverbindingen in het ruggenmerg en de motorische zenuwen terug naar de spier allemaal goed functioneren. De kniepeesreflex en een vergelijkbare reflex bij de elleboog en de enkel zijn de reflexen die het vaakst worden getest.

De voetzoolreflex wordt getest door met een sleutel of een ander voorwerp dat een onprettig gevoel veroorzaakt, stevig langs de buitenrand van de voetzool te wrijven. De normale reflex is dat de tenen dan omlaag buigen, behalve bij baby's van zes maanden of jonger. Als de grote teen omhoog buigt en de overige tenen zich spreiden, wijst dit op een afwijking in de hersenen of het ruggenmerg.

illustrative-material.figure-short 1

Reflexboog: buiten de hersenen om

Reflexboog: buiten de hersenen om

Een reflexboog is de baan die wordt gevolgd door een zenuwreflex, zoals de kniepeesreflex.

1.Een tik op de knie activeert de sensibele receptoren en leidt tot afgifte van een zenuwsignaal.

2.Het signaal wordt langs een zenuwbaan naar het ruggenmerg geleid.

3.In het ruggenmerg wordt het signaal van de sensibele zenuw overgedragen op een motorische zenuw.

4.De motorische zenuw zendt het signaal terug naar de dijbeenspier.

5.De spier trekt samen waardoor het onderbeen zich plotseling strekt. De volledige reflex vindt zonder tussenkomst van de hersenen plaats.

Coördinatie, houding en wijze van lopen: om het coördinatievermogen te onderzoeken vraagt de arts aan de patiënt om eerst met zijn wijsvinger de vinger van de arts en daarna zijn eigen neus aan te raken. Vervolgens moet de patiënt deze bewegingen zo snel mogelijk achter elkaar herhalen. Soms wordt de patiënt gevraagd dit eerst met zijn ogen open en daarna met zijn ogen dicht te doen. Bij de Romberg-test wordt de patiënt gevraagd stil te blijven staan met zijn voeten naast elkaar en de ogen gesloten. Vervolgens dient de patiënt in een rechte lijn te lopen waarbij hij de ene voet voor de andere zet. Met deze opdrachten worden zowel de motorische en sensibele zenuwen als de hersenfunctie getest. Ook kunnen andere eenvoudige tests worden afgenomen.

Autonoom zenuwstelsel: het autonome (onwillekeurige) zenuwstelsel regelt de inwendige lichaamsprocessen die niet onder invloed van onze wil staan. Een afwijking van het autonome zenuwstelsel kan aanleiding geven tot problemen als bloeddrukdaling bij het opstaan (orthostatische hypotensie), geen of geringe transpiratie of seksuele problemen, zoals geen erectie kunnen krijgen of handhaven. De arts kan een aantal verschillende tests uitvoeren, bijvoorbeeld een bloeddrukmeting terwijl de patiënt zit en na opstaan.

Bloedtoevoer naar de hersenen: bij een ernstige vernauwing van de slagaders die het bloed naar de hersenen voeren, daalt de bloedtoevoer en loopt de patiënt een verhoogd risico van een herseninfarct. Het risico is groter bij ouderen of mensen met een hoge bloeddruk, diabetes mellitus of hart- en vaatziekten. De arts onderzoekt de slagaders door een stethoscoop op de halsslagaders te plaatsen en te luisteren of hij het typische geruis (bruits) hoort van een onregelmatige bloedstroom door een nauw gedeelte. Voor een nauwkeurig onderzoek van vernauwde slagaders zijn echter complexere onderzoeksmethoden nodig, zoals kleurendopplerechografie, magnetischeresonantieangiografie of hersenangiografie.

illustrative-material.sidebar 1

Wat is een neurologisch symptoom?

Omdat het zenuwstelsel alle lichaamsfuncties aanstuurt, kunnen bijna alle symptomen een neurologisch symptoom zijn, dit wil zeggen symptomen veroorzaakt door een aandoening aan een deel van het zenuwstelsel of aan het gehele zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg of zenuwen). De meeste symptomen die neurologisch kunnen zijn, zoals hoofdpijn, worden gewoonlijk echter door andere aandoeningen veroorzaakt. Neurologische aandoeningen veroorzaken doorgaans pijn. Spieren kunnen slechter gaan werken doordat een zenuw is beschadigd of wordt samengedrukt. Er kunnen veranderingen optreden in de zintuiglijke waarneming, zoals het gezichtsvermogen. Neurologische aandoeningen kunnen de slaap verstoren of het bewustzijnsniveau beïnvloeden. Neurologische symptomen kunnen een aanwijzing zijn voor een betrekkelijk lichte aandoening (zoals een slapende voet), voor een aandoening die kan worden hersteld of onder controle gebracht door behandeling (zoals een hernia of diabetes mellitus) of voor een ernstige, levensbedreigende aandoening (zoals een hersentumor). Vaak kan de arts aan de hand van de kenmerken en het patroon van de symptomen een diagnose stellen of een neurologische aandoening uitsluiten. Hieronder volgen enkele veelvoorkomende neurologische symptomen:

  • pijn
    • rugpijn
    • nekpijn
    • hoofdpijn
    • pijn langs een zenuwbaan (zoals bij ischias of gordelroos)
  • spierstoornis
    • spierzwakte
    • tremor
    • verlamming
    • onwillekeurige bewegingen (zoals tics)
    • afwijkingen bij het lopen
    • onhandigheid of slechte coördinatie
    • spierspasmen
    • stijfheid
    • vertraagde bewegingen
  • veranderingen in zintuiglijke waarneming
    • wazig zien
    • gedeeltelijk of geheel verlies van het gezichtsvermogen
    • doofheid
    • tintelingen of speldenprikkengevoel

    • vertigo
    • dubbelzien
    • verkeerd interpreteren van visuele beelden
    • verlies van gevoel voor tast, koude, hitte of pijn
    • verlies van positiezin
  • slaapproblemen
    • problemen bij het in slaap vallen of in slaap blijven
    • ongecontroleerde beenbewegingen
    • te veel slapen (zoals narcolepsie)
  • bewustzijnsveranderingen
    • duizeligheid
    • flauwvallen
    • dissociatie
    • verwardheid of delirium
    • dementie
    • epileptische aanvallen
    • coma
    • bewustzijnsverlies (stupor)
    • blijvende vegetatieve toestand

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Anamnese

Next: Diagnostisch onderzoek

Figures
Tables
Disclaimer